Samen spelen is duurzaam
Een van de modewoorden op dit moment is duurzaamheid. En wat heeft duurzaamheid nu met spelen te maken? Natuurlijk eerst dat de doelgroep dezelfde is: duurzaam met de schepping omgaan doe je (ook) voor de volgende generatie.
Allereerst roept duurzaam bij mij altijd het woord duursaam op. Ten eerste gaat duurzaam over ons allemaal en moeten we het samen doen. In relatie tot duurzaamheid en spelen denk ik: Samen spelen is niet duur, maar wel een kostbaar bezit. Hoeveel kinderen ontmoeten hun vrienden niet in hun eigen buurt? Een van de krachten van kinderen is dat ze zich niet druk maken of hun vriendje een andere achtergrond heeft, slimmer of rijker is, wel of geen (lichamelijke) beperking heeft enzovoort. En omdat de samenleving begint met samen te leven, wordt op de speelplek de basis gelegd om de ander niet minder dan jezelf te zien en om je in te zetten voor de zwakkere. Echter ook voor de ouders vormt het spelen een belangrijk middel om met buurtgenoten in aanraking te komen. Een voorbeeld: mijn ouders zijn nu nog bevriend met de ouders van mijn jeugdvriend.
Via mijn columns en adviezen pleit ik dan ook regelmatig voor kindvriendelijke buurten, roep ik op dat ouders hun kinderen ook de ruimte geven om de buurt in te trekken en zetten we ons in om aantrekkelijke speelplekken, die uitnodigen om samen te spelen, te realiseren.
Uit recent onderzoek van Jantje Beton met TNS NIPO blijkt dat kinderen speelmaatjes missen: een op de vier kinderen vindt “het minder leuk omdat er geen andere kinderen zijn om mee te spelen!”
Natuurlijk gaat duurzaamheid bij spelen over de manier en de soort speeltoestellen die worden aangeschaft. Maar duurzaamheid (of ‘levensloopbestendige’ wijken) gaat ook over de manier waarop nieuwe wijken worden aangelegd. Immers (weg)structuren die nu worden aangelegd blijven eeuwenlang de aanwezige ruimte bepalen. Als men de buurt ingaat, ziet men overal kinderen spelen. Spelen doen kinderen niet alleen op speciaal gecreëerde speelplekken. Spelen doen ze ook, of juist, bij hen in de buurt: op het trottoir, in de portiek, in het plantsoen, in het winkelcentrum of in het steegje tussen de woningen. Je kunt het zo gek niet bedenken, of een locatie nodigt uit tot spelen. Daarom is het belangrijk zich te blijven afvragen in hoeverre de gehele openbare ruimte geschikt is om te spelen. Voor een duurzame structuur van speelplekken betekent duurzaamheid in veel gevallen dat in een nieuwbouwwijk waar veel kinderen (komen te) wonen eerst bijvoorbeeld drie tot vijf speelplekken met overlappende actieradius nodig zijn. Na verloop van tijd kan de meest centrale plek als basisvoorziening dienen. Deze centrale plek moet dan ook voor de hele buurt bereikbaar en zichtbaar zijn en mag groter dan de andere zijn. De overige vier speelplekken uit het voorbeeld kunnen meer gericht zijn op de direct aanwonende kinderen. De ervaring leert dat een speelplek voor kinderen ongeveer even lang noodzakelijk is als de levensduur van de meeste toestellen. Deze plekken kunnen dan na circa 10 tot 15 jaar opgeheven worden. De toestellen voor deze speelplekken mogen dan ook van beperktere levensduur zijn.
Uit onderzoek en ervaring blijkt dat er rond een centraal gelegen, goed functionerende speelplek voor deze leeftijdscategorieën vrijwel nooit te weinig jeugdigen of jongeren wonen, zelfs niet in de loop van 25 jaar. Dit betekent dat voor de jeugdigen en voor de jongeren over het algemeen duurzame speelplekken verspreid over de buurten aangelegd kunnen worden. Dit mogen dan ook wel speelplekken zijn die echt de moeite waard zijn. Het is belangrijk hiervoor een goede, permanente structuur neer te leggen, omdat deze plekken groter, uitdagend en aantrekkelijk moeten zijn.