TERUG

Slimmer mét groen

Rondom de buurt waar ik zelf woon (Platvoet in Deventer uit de jaren 70) liggen een brede groenstrook met bosplantsoen en zelfs heuvels. Daarnaast zijn er diverse plantsoenen, grasvelden en een soort park als ‘middengroen’. Eigenlijk een standaard wijkje uit
die tijd. En dan heb ik nog het genot dat ik aan de rand woon, waardoor de weilanden en bossen in het zicht liggen. Al met al is dit een goed en groen klimaat om je kinderen te laten buiten spelen.
Dat spelen in het groen goed voor je is, blijkt ook wetenschappelijk aan te tonen, zoals te lezen in het Alterraonderzoek van eind vorig jaar. In dit veldexperiment (gelukkig eens een onderzoek buiten het laboratorium!) werd het speelgedrag van kinderen in een natuurspeeltuin vergeleken met dat van kinderen binnen in een sporthal. Ik merk de laatste tijd een beetje dat ‘natuurlijk spelen’ verwordt tot zoiets als om met de auto naar een speciaal ingericht bos te rijden om de kinderen een tijdje ‘uit te laten’. Een beetje terug
in de tijd, toen we net auto’s hadden en zondags een stukje gingen toeren en aan bermtoerisme deden. Ik weet dat de fantastische speelbossen zoals van Staatsbosbeheer, de Speeldernis in Rotterdam en De Woeste Weide in Sliedrecht een erg belangrijke functie
hebben. Graag zie ik dat kinderen daar naartoe gaan om met/in groen te (leren) spelen zodat ze thuis ook het groen in de buurt leren gebruiken. Maar die groene ruimte moet er dan ook zijn! Naar mijn idee moeten we de openbare ruimte groener gaan inrichten
c.q. behouden, de nieuwe wijken ruimer aanleggen dan we tegenwoordig doen, de omliggende buitengebieden beter ontsluiten, meer rommellandjes laten liggen, de braakliggende terreinen betrekken, plantsoenstroken rondom sportvelden openstellen en noem maar op. Ook moeten we de kinderen misschien wel meer spreekwoordelijke speelruimte geven, sowieso de ruimte dat ze in het groen mogen spelen en ook wel eens een tak afbreken, een gat graven of een hut bouwen. Er is echter een groep van kinderen die door hun ouders constant worden bezig gehouden: van de (brede)school hup naar muziekles, naar sport, naar oppasopa en -oma, enzovoort. Ze staan onder voortdurend toezicht. Wanneer hebben ze gewoon de tijd om als kind zelf de kleine fouten te maken, wat hun leert om later de juiste keuzes te maken als het er echt op aankomt? En dan nog moeten we als beleidsmakers met onze hbo++-opleidingen, dubbele auto’s en van de ‘bewuste opvoeding’ niet vergeten dat er een behoorlijk gedeelte van de ouders niet gewend is zelf en met hun kinderen hun eigen buurt (laat staan hun wijk) te verkennen, en niet zo bewust bezig is met hun kinderen te laten spelen, dat de mobiliteit van
deze kinderen pas begint als ze een scooter hebben (en nauwelijks kunnen fietsen!). Die kinderen zijn gewoon op de openbare ruimte in hun eigen buurt aangewezen. Dus wat mijn (beperkte) visie betreft, beginnen ‘natuurspeelgelegenheden’ op het grasveldje voor de deur (als er al geen hondenpoep ligt) en gaan deze via de parken en bosplantsoenen waar kinderen hutten (mogen?) bouwen tot en met de ‘speciale ruige speeltuinen ‘ zoals speelbossen. Voor dat groen in de openbare ruimte zijn er duizend-en-een ideeën en voorbeelden, zoals boomstammen, het slim gebruik van bepaalde typen struiken, het gebruik van takkenwallen en hagen, het anders zagen van boomstronken, het omlieren van bomen en de wortelkluit laten staan, het snoeiafval laten liggen, een grote berg zand aan het begin van de zomer storten en deze in het najaar (eventueel) in de beplanting verwerken, heuvels aanleggen in grotere plantsoenen, bloemzaden vermengen met het graszaad, gefaseerd maaien en zo kunnen we nog wel even doorgaan … www.Alterra.nl publicatie 1600 ‘Spelen in het groen’

TERUG